Welkom in Gods huis

Gisteravond keek ik – iets later dan de rest van Nederland, want vakantie enzo, de documentaire ‘Ik ben er geen, ik ken er geen’ op NPO. De documentairemaker, zelf uit een gelovig nest, ging op bezoek bij LHBT’ers die opgroeiden in de kerk – wat had die ervaring voor invloed op hun coming out? Hoe denken ze nu over God, geloof en kerk? 

Ook ik groeide op in de kerk, al is mijn relatie met het instituut wat hobbelig geweest. Mijn jeugd in een vrij doorsnee gereformeerde kerk, wat nu als PKN bestempeld zou worden, mijn puberteit in evangelische kringen – als snel neigend naar pinkster/charismatisch. Waar de ene puber zich tegen zijn ouders afzet met seks, drugs en rock & roll, koos ik voor geloof. Ik zocht naar een plek waar ik me thuisvoelde, waar ik erbij hoorde  en vond die in de kerk. Inmiddels zweef ik daar een beetje tussenin. Soms wil ik de hele bliksemse boel vaarwel zeggen, op betere dagen ben ik dankbaar dat ik deel uitmaak van een familie met gebroken, geliefde mensen.

Erbij horen

Hoe dan ook, op de middelbare school werd ik door mijn klasgenoot tot vervelens toe uitgenodigd bij een gebedsgroep. Ik zwichtte en raakte onder de indruk van deze lui. Zij gingen zo anders met hun geloof om dan ik kende uit mijn eigen kerk. Ik werd opgenomen in de groep en leerde al snel hoe ik me een beetje pinksterachtig hoorde te gedragen. Was enorm beïnvloedbaar, maar zou dat in die tijd nooit zo beschreven hebben. Met allerlei winden waaide ik mee: ik had Jezus gevonden, en de dingen die een beetje raar waren aan kerk en geloof, die zouden er vast bij horen. Die nam ik voor lief. 

Ik verliet op mijn 16e de gemeente waarin ik was opgegroeid en sloot me aan bij iets van meer evangelische makelij. En zo begaf ik mij halsoverkop in de jeugdgroepcultuur van de jaren ’90.

Seks? Daar hebben we het niet over.

Seksualiteit? Daar werd niet over gesproken. Dat wil zeggen: er werd wel over gesproken, maar vooral in waarschuwende termen. Vooral aandacht voor wat allemaal niet mocht, en dan snel door naar het hoofdstuk ‘huwelijk’, waarin er dan ineens van alles mogelijk is. Dat wil zeggen, een huwelijk tussen een man en vrouw. 

Homoseksualiteit, daar hadden we het niet over. Scheelt dat ik ook niemand kende die ‘zo’ was. Het adagium ‘ik ben er geen, ik ken er geen’ gaat dan wel makkelijk op. In de docu wordt dat ook wel ‘strategische onwetendheid’ genoemd. Als je ergens gewoon niet over praat of niet over nadenkt, dan hoef je ook geen keuzes te maken.

Echte mensen met echte verhalen

Pas later, tijdens mijn studiejaren, werd mijn wereld wat groter. Zeg maar véél groter. Fast forward naar stage lopen in Amsterdam, LHBT collega’s, vrienden, buren. Mensen met een gezicht, een naam en een verhaal. En langzaam maar zeker begon ik me te realiseren dat ik me helemaal niet zo kon vinden in de theologie die in mijn – op dat moment vrij radicaal christelijke – wereld zo gebruikelijk was: “Hate the sin, love the sinner.” Een veel gebezigde uitspraak in evangelische kringen. De gedachte erachter is zo’n beetje dat God wel van iedereen houdt, dus dat mogen/moeten wij ook, maar dat we bepaald gedrag niet goed kunnen keuren. Mijn probleem ermee is alleen: het werkt niet. Voor geen meter. 

Ik moet bekennen dat het genant lang duurde voor ik mijn twijfel niet alleen van binnen voelde, maar ook durfde uit te spreken. Ik kan het me zelfs nog goed herinneren. Ik had net een nieuwe baan en een aantal van mijn collega’s waren LHBT’er. Het was algemeen bekend dat ik christen was, en een van hen vroeg me al op de eerste dag op de vrouw af: “Jij bent christen toch? Maar wat vind je er dan van dat ik lesbisch ben?” Wat een moed had ze om dat te vragen! Mijn ingestudeerde antwoord dat ik jarenlang bij me had gedragen (love the sinner…) kwam mijn strot niet uit. Niet omdat ik het niet meer wist, maar omdat ik het gewoon niet geloofde. Hier stond iemand voor mijn neus die met haar hele hart hield van haar vrouw, en zij had gewoon recht op liefde, op een relatie, op erbij horen. Dat vond ik. 

En dat vind ik nog steeds. 

Blijven zoeken

Intussen heb ik boeken gelezen, de Bijbel bestudeerd, mensen leren kennen, naar verhalen geluisterd. Voor mij voelt het als inhaalslag. Ik heb namelijk veel te leren. 

Ik kijk tegenwoordig anders naar de Bijbel dan ik een aantal jaar geleden deed. Voor sommige mensen betekent dat misschien dat ik me op een hellend vlak begeef. Voor mij betekent het dat ik een levend boek serieus neem – teksten in de juiste context probeer te lezen, mijzelf niet als definitieve bron van wijsheid en interpretatie beschouw. Dat betekent dus luisteren naar verschillende stemmen, afwegingen maken en in gebed overwegen.

De onlangs overleden schrijver Rachel Held Evans zei:   

“The gospel isn’t offensive because of who it excludes, the gospel is offensive because of who it includes.” 

Mijn zoektocht is nog niet voorbij. Maar een ding weet ik zeker: ik geloof in een kerk waar iedereen welkom is. Zonder voorwaarden. Waar iedereen zichzelf mag zijn, en zoals ze bij onze ‘club’ zeggen: “Everyone gets to play.” Dat zal betekenen dat er mensen met verschillende levensstijlen, visies en meningen samenkomen – superingewikkeld, soms zelfs helemaal niet logisch. Maar ik hoop dat er één ding is dat ons samenbrengt: ons geloof in een liefhebbende God, met open armen. 

Kleur bekennen

Misschien is het voor mij ook wel een kwestie van kleur bekennen. Ja, ik geloof inderdaad dat iedereen welkom is en erbij hoort: homo, hetero, praktiserend, celibatair. Voor iedereen is er plek aan tafel. Laten we elkaar blijven opzoeken en met elkaar praten. Laten we niet langer strategisch onwetend zijn. 

Welkom in Gods huis. Welkom, welkom thuis. 

Even een tip nog: wil je meer over dit onderwerp lezen? Check dan eens www.wijdekerk.nl

One thought on “Welkom in Gods huis

Reacties zijn gesloten.